Uitspraak
19 3836 PW, 19/4135 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering niet gebruiken als een vordering is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Nu vaststaat dat appellant de teruggevorderde bedragen niet uiterlijk binnen hetzelfde kalenderjaar aan het college heeft voldaan en de terugvordering is ontstaan wegens schending van de op appellant rustende wettelijke inlichtingenverplichting, was het college bevoegd tot brutering van de vordering met de door het college afgedragen loonheffing. Niet is gebleken van redenen op grond waarvan het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2019 ongegrond.