ECLI:NL:CRVB:2021:999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste dagloonberekening en dienstbetrekking oproepkracht volgens startersregeling
Appellant verrichtte van oktober tot november 2014 als oproepkracht werkzaamheden voor BV 1, gevolgd door een dienstverband bij BV 2 vanaf januari 2015. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de referteperiode van maart 2014 tot februari 2015, waarbij het loon vanaf november 2014 werd meegenomen conform artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit.
Appellant voerde aan dat hij vanaf november 2014 niet werkte en geen dienstbetrekking had bij BV 1, maar de Raad oordeelde dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dit was gebaseerd op de persoonlijke arbeidsverplichting, gezagsverhouding en loonbetaling, ondanks het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst. De Raad verwierp het betoog dat appellant als zelfstandige werkte.
De rechtbank had eerder de dagloonberekening van het UWV juist bevonden, en de Raad bevestigde dit oordeel. De toepasselijkheid van de startersregeling betekent dat het dagloon wordt berekend over de gehele periode vanaf de eerste dienstbetrekking in het refertejaar, ongeacht onderbrekingen of bijstandsuitkeringen.
De Raad concludeerde dat het Dagloonbesluit dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor een evenredigheidstoets. Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant een privaatrechtelijke dienstbetrekking had bij BV 1 en dat het dagloon correct is berekend volgens de startersregeling.