ECLI:NL:CRVB:2022:1244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op besluit sociale zekerheidswetgeving voor rijnvarende
Appellant werkte van januari 2013 tot februari 2014 als rijnvarende op een binnenschip en stond op de loonlijst van een Cypriotisch bedrijf. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluit vast dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op hem van toepassing was voor deze periode. Dit besluit werd na bezwaar en beroep bevestigd, inclusief een eerdere uitspraak van de Raad die de Svb opdroeg een nieuw besluit te nemen.
Appellant verzocht later om terug te komen op het besluit van maart 2018, stellende dat er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren, onder meer gebaseerd op documenten zoals een e-mail, een vaartijdenboek en een brief van de Belastingdienst. De Svb en rechtbank oordeelden dat deze stukken niet nieuw waren en dat appellant deze eerder had kunnen aanvoeren. Ook het beroep dat het besluit onmiskenbaar onjuist of evident onredelijk zou zijn, werd verworpen.
De Raad overwoog dat het besluit zorgvuldig was genomen en dat de vaststelling dat appellant substantieel in Nederland had gewerkt, was gebaseerd op het vaartijdenboek. Appellant had niet sluitend aangetoond dat de individuele werktijden anders waren. De verwijzing naar het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn gaf geen grond voor herziening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.