Uitspraak
21 1152 ZW
PROCESVERLOOP
P.J.L.H. Coenen LLB.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig teamleider beveiliging, meldde zich ziek en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Na een bezwaarprocedure en een besluit van het UWV over de herziening van zijn arbeidsgeschiktheid, stelde appellant beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het UWV alsnog een beslissing had genomen en de maximale dwangsom was toegekend.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er wel degelijk een belang was bij het beroep wegens geleden schade, dat zijn gemachtigde proceshandelingen had verricht en dat de schadevergoeding ontoereikend was. De Raad oordeelde dat het beroep terecht niet-ontvankelijk was omdat het procesbelang ontbrak en dat de proceskostenvergoeding niet toekwam omdat er geen proceshandelingen waren verricht in bezwaar.
Verder werd overwogen dat de door appellant gevorderde materiële schade voortvloeit uit de vertraagde betaling van de uitkering en dat deze schade reeds is gedekt door de toegekende wettelijke rente en de schadevergoeding van €800. Verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van aantasting in de persoon.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder toekenning van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.