Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.518,-;
- bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 532,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving studiefinanciering op basis van een uitwonendennorm, terwijl de minister na een controle het woonadres van betrokkene herzag en de studiefinanciering terugvorderde met ingang van 1 augustus 2017. De rechtbank stelde vast dat betrokkene op het moment van controle niet aan de adresverplichtingen had voldaan, maar oordeelde dat de minister eerst nader onderzoek had moeten doen gezien verklaringen van de hoofdbewoner en betrokkene over een recente verhuizing.
In hoger beroep betoogde de minister dat het wettelijk vermoeden van artikel 9.9 Wsf 2000 terecht was toegepast, maar de Raad stelde vast dat betrokkene onomstotelijk bewijs had geleverd dat zij tot kort voor het huisbezoek op het brp-adres woonde. Dit bewijs bestond uit verklaringen van betrokkene, haar ouders, de hoofdbewoner en bewijs van maandelijkse betalingen aan de hoofdbewoner.
De Raad concludeerde dat het onderzoek van de minister onzorgvuldig was en dat de herziening en terugvordering onterecht waren. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd verworpen. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minister ten onrechte studiefinanciering heeft herzien en teruggevorderd wegens onzorgvuldig onderzoek naar het woonadres.