Uitspraak
20.751 PW
9 januari 2020, 18/7401 en 19/1546 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand vanaf 2014 en vanaf 2016 op grond van de Participatiewet. Na een onderzoek naar een lijfrente-uitkering en diverse stortingen op zijn bankrekening, stelde het college de bijstand over de periode juli 2016 tot april 2018 herzien en vorderde het een bedrag terug wegens niet gemelde inkomsten.
De rechtbank vernietigde delen van de besluiten over de hoogte van de terugvordering en stelde een nieuw bedrag vast. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de lijfrente-uitkering als vermogen moest worden beschouwd en dat stortingen van zijn B.V.’s geen inkomen waren, maar een verschuiving van eigen middelen of leningen.
De Raad oordeelde dat de lijfrente-uitkering periodiek is en als inkomen moet worden aangemerkt volgens artikel 32 PW Pro. De bedragen van de B.V.’s en derden zijn eveneens inkomen omdat appellant als bestuurder en aandeelhouder feitelijk over deze middelen kon beschikken en deze gebruikte voor zijn levensonderhoud. Leningen zijn niet uitgezonderd van het middelenbegrip. De Raad bevestigde daarom de herziening en terugvordering van de bijstand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde lijfrente-uitkering en stortingen als inkomen.