ECLI:NL:CRVB:2022:1462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige beoordeling
Appellant, voormalig chauffeur, meldde zich in 2007 ziek met rug- en psychische klachten en ontving vanaf 2009 een WGA-uitkering. In 2017 beëindigde het UWV deze uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant vroeg herleving aan per 2019, waarop het UWV een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek liet uitvoeren. De medische beoordeling concludeerde een onveranderd klachtenpatroon met lichte aanpassing in werktijden vanwege slaapstoornissen, en de arbeidsdeskundige selecteerde passende functies die appellant kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de medische beoordeling juist. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen waren onderschat, onderbouwde dit met medische informatie en verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om bewijs aan te dragen en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat er geen aanleiding was tot benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 1 januari 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en verklaart het hoger beroep ongegrond.