ECLI:NL:CRVB:2022:148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap
Appellante, die sinds 2000 niet meer in Nederland woonde en pas begin 2018 terugkeerde, vroeg kinderbijslag aan over het tweede tot en met vierde kwartaal van 2018. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij op die peildata geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus niet als ingezetene werd beschouwd.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de langdurige afwezigheid en het ontbreken van een zelfstandige woning en eigen levensonderhoud betekenden dat de duurzame band met Nederland nog niet was hersteld. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij sinds begin 2018 wel een duurzame band had opgebouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat ondanks het verblijf van appellante in Nederland vanaf begin 2018, het ontbreken van een eigen woning, het korte verblijf en het ontbreken van wezenlijke bindingen met Nederland betekenden dat zij nog niet als ingezetene kon worden aangemerkt. Het feit dat zij een uitkering ontving, haar kinderen naar school gingen en zij was ingeschreven in de basisregistratie personen, veranderde dit niet.
Daarom werd het besluit van de Svb om kinderbijslag te weigeren over de betreffende kwartalen bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag over het tweede tot en met vierde kwartaal van 2018 wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland.