Uitspraak
20.1622 WW
12 maart 2020, 19/2328 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tot 31 januari 2019 werkzaam als schadebehandelaar en ontving vanaf 1 februari 2019 een WW-uitkering. Het UWV bood hem een passende functie aan als schadebehandelaar bij een verzekeringsmaatschappij, die appellant op 13 mei 2019 weigerde te aanvaarden. Het UWV legde daarom een maatregel op waarbij de WW-uitkering per die datum werd beëindigd.
Appellant voerde aan dat hij met zijn adviseur werk had besproken dat een baan in de financiële dienstverlening niet passend was en dat het werkaanbod niet concreet was vanwege onduidelijkheid over salaris en uren. Ook stelde hij dat de maatregel gematigd moest worden vanwege geringe verwijtbaarheid en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat het aanbod passend en concreet was en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en voegde toe dat artikel 27, tweede lid, WW geen ruimte laat voor matiging of toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellant wordt per 13 mei 2019 beëindigd wegens weigering passende arbeid.