Appellante, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken sinds 1986, kreeg meerdere disciplinaire maatregelen opgelegd wegens plichtsverzuim, waaronder onjuiste declaraties van studiekosten en onrechtmatig gebruik van een mobiliteitskaart. Na een eerdere schriftelijke berisping volgde uiteindelijk het besluit tot onvoorwaardelijk ontslag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep betwistte appellante dat haar gedragingen plichtsverzuim opleverden en stelde zij dat de minister ten onrechte het onvoorwaardelijk ontslag handhaafde. De Raad oordeelde dat gedragingen zoals het declareren van studiekosten vóór betaling en het reizen eerste klas zonder toestemming wel degelijk plichtsverzuim zijn en toerekenbaar aan appellante. Echter, het onrechtmatig gebruik van de mobiliteitskaart en het niet bijwerken van het woonadres konden niet als plichtsverzuim worden aangemerkt.
De Raad vernietigde daarom het ontslagbesluit op basis van onvoorwaardelijk strafontslag. Subsidiair bevestigde de Raad het ontslag wegens ongeschiktheid, gegrond op het ontbreken van de vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling, mede gezien het herhaaldelijk schenden van regels ondanks eerdere berisping. Het bieden van een verbeterkans werd als niet zinvol beoordeeld. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.