ECLI:NL:CRVB:2022:1716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijzondere bijstand voor eigen bijdrage Wmo-maatwerkvoorziening na afschaffing Tegemoetkoming meerkosten zorg
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en heeft een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 met een maandelijkse eigen bijdrage. Voorheen ontving hij een vergoeding uit de regeling Tegemoetkoming meerkosten zorg (Tmz), die per 1 januari 2019 is afgeschaft. Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de eigen bijdrage, maar het college wees dit af omdat de Wmo 2015 als voorliggende voorziening passend en toereikend is.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege wijziging van de grondslag, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt nu dat de Wmo 2015 een uitputtende regeling vormt en dat de eigen bijdrage behoort tot de noodzakelijke kosten die uit de bijstandsnorm moeten worden voldaan. De afschaffing van de Tmz leidt niet tot een wijziging in het karakter van de Wmo 2015 als voorliggende voorziening.
Appellant voerde aan dat hij financieel nadeel ondervindt en dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, maar de Raad oordeelt dat dit geen zeer dringende reden oplevert voor bijzondere bijstand en dat decentrale verschillen inherent zijn aan de Wmo. Ook het bezwaar tegen decentralisatie en bezuinigingen kan de Raad niet toetsen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de Wmo-maatwerkvoorziening.