ECLI:NL:CRVB:2022:1758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum verhoging WAO-uitkering geen bijzonder geval
Appellant ontving sinds 2003 een WAO-uitkering die in 2005 werd herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Na een melding van verslechtering in 2019 verhoogde het Uwv de uitkering met ingang van 19 juni 2018. Appellant maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum en stelde dat hij door gezondheids-, financiële en relationele problemen, en taalbarrières, eerder recht had op verhoging.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat uit medische gegevens geen sprake was van (psychisch) onvermogen om eerder een aanvraag in te dienen. Ook de taalproblemen en persoonlijke omstandigheden werden niet als bijzonder geval erkend. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij redelijkerwijs niet in verzuim was vanwege ernstige gezondheidsklachten en persoonlijke problemen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Uit medische informatie bleek geen ernstige psychiatrische stoornis of onvermogen om de gevolgen van handelen te overzien. Het feit dat appellant zijn belangen via zijn schoondochter kon laten behartigen en dat hij zelf of via derden diverse wijzigingen en aanvragen bij het Uwv had doorgegeven, maakte dat geen sprake was van een bijzonder geval. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere beslissing bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de verhoging van de WAO-uitkering ingaat op 19 juni 2018 en wijst het hoger beroep af.