ECLI:NL:CRVB:2022:1858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige intrekking van bijstand en onterechte waarschuwing door college
Appellant ontving bijstand en werkte daarnaast bij een restaurant. Na een verblijf in het buitenland vroeg het college meerdere bewijsstukken op over een afgesloten periode in het verleden. Appellant leverde deze niet binnen de gestelde hersteltermijn aan. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in, met een waarschuwing wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de gevraagde bewijsstukken niet relevant waren voor het vaststellen van het actuele recht op bijstand vanaf 21 augustus 2018. Daarom kan appellant geen verwijt worden gemaakt van het niet overleggen binnen de hersteltermijn en was het college niet bevoegd tot intrekking.
Daarnaast valt het niet overleggen van bewijsstukken niet onder de inlichtingenverplichting, zodat de waarschuwing onterecht was. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, draagt het college op opnieuw te beslissen over de intrekking en herroept de waarschuwing. Het college wordt veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de waarschuwing worden vernietigd; het college moet opnieuw beslissen over de intrekking.