Appellante ontving bijstand sinds 2010 en stond ingeschreven op een adres in Rotterdam. Na een anonieme melding startte het college een onderzoek naar haar hoofdverblijf, waarbij verbruiksgegevens en observaties werden verzameld. Het college trok de bijstand in en vorderde het bedrag terug over 2014-2019, omdat appellante volgens hen niet op het uitkeringsadres woonde.
De rechtbank vernietigde het besluit deels en matigde de boete. In hoger beroep oordeelde de Raad dat het college terecht de bijstand introk over 2015-2019 vanwege extreem laag waterverbruik, wat wijst op niet-bewoning. Appellante slaagde er niet in dit te weerleggen.
Voor 2014 was het waterverbruik laag maar niet extreem, en het college leverde onvoldoende aanvullend bewijs. Ook andere gegevens zoals elektriciteitsverbruik en pintransacties waren niet toereikend om niet-bewoning aannemelijk te maken. Daarom vernietigde de Raad het besluit over 2014 en de terugvordering, en beval het college een nieuwe berekening te maken.
De opgelegde boete bleef in stand omdat appellante verwijtbaar handelde door niet te melden dat zij niet op het adres woonde. Dringende redenen om af te zien van terugvordering of boete werden niet aannemelijk gemaakt. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht.