ECLI:NL:CRVB:2022:2486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en medische afzakker
Appellante was werkzaam als verpleegkundig specialist en viel in 2018 uit vanwege gezondheidsklachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 70,74%. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij op 41,43%, waarbij appellante als medische afzakker werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde dit onjuist omdat niet was vastgesteld dat appellante op medisch advies minder was gaan werken.
In hoger beroep overwoog de Centrale Raad dat een medische afzakker iemand is die om medische redenen zonder ziekmelding minder uren gaat werken. De Raad volgde de verzekeringsarts die de medische voorgeschiedenis en het advies van cardioloog Crijns betrok, die bevestigde dat appellante in 2016 op medisch advies minder uren ging werken. Dit rechtvaardigt het toepassen van de maatmanregel.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en appellante is terecht als medische afzakker aangemerkt.