Appellant was sinds 1998 werkzaam bij de politie en werd geconfronteerd met disciplinaire maatregelen wegens plichtsverzuim, waaronder een voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van drie jaar. Dit ontslag was gebaseerd op gedragingen zoals een (be)dreigende houding en bedreigingen richting zijn leidinggevende, roddelen over collega’s en het negeren van expliciete waarschuwingen.
De korpschef legde het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer wegens vermeend ernstig plichtsverzuim, waaronder het niet hervatten van werk na betermelding en voortijdig vertrek tijdens een re-integratiegesprek. De rechtbank vernietigde het voorwaardelijk ontslag en oordeelde dat het functionele ongeschiktheidsontslag stand kon houden.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het plichtsverzuim voldoende is vastgesteld voor het opleggen van het voorwaardelijk ontslag, maar dat de voorwaarde voor tenuitvoerlegging niet is vervuld omdat appellant niet arbeidsgeschikt was voor zijn functie en geen werkweigering of voortijdig vertrek heeft plaatsgevonden. Het functionele ongeschiktheidsontslag kan niet standhouden omdat geen onderzoek naar medische ongeschiktheid heeft plaatsgevonden.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het eerste besluit ongegrond en het beroep tegen het tweede besluit gegrond, vernietigt het tweede besluit en veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant.