ECLI:NL:CRVB:2022:2692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wajong-uitkering terecht herzien en teruggevorderd wegens niet gemelde inkomsten uit hennepkwekerij
Appellant ontvangt sinds 1990 een Wajong-uitkering en werd in februari 2019 betrapt op het hebben van een hennepkwekerij met 148 planten in zijn woning. De politie stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op ruim €30.000, gebaseerd op twee eerdere oogsten en een ontnemingsperiode van juli 2018 tot februari 2019. Het Uwv onderzocht de rechtmatigheid van de uitkering en concludeerde dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was op basis van de geschatte inkomsten, waardoor de uitkering niet toekwam en terugvordering van €8.190,45 volgde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het aantreffen van de kwekerij de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellant de opbrengst heeft genoten, tenzij hij overtuigend bewijs levert van het tegendeel. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de kwekerij pas in november 2018 was opgebouwd en dat hij slechts een vergoeding van €160 per week ontving, maar kon dit niet onderbouwen met objectieve gegevens.
De Raad oordeelde dat het Uwv bevoegd is om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen bij gebrek aan verifieerbare gegevens en dat het risico van het ontbreken van concrete gegevens bij appellant ligt. De Raad bevestigde dat de Wajong-uitkering terecht is herzien en teruggevorderd en dat geen dringende reden bestaat om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Wajong-uitkering van appellant is terecht herzien en teruggevorderd wegens niet gemelde inkomsten uit een hennepkwekerij.