ECLI:NL:CRVB:2022:2818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatmaninkomen en vertrouwensbeginsel bij vrijwillige WIA-verzekering zelfstandige
Appellant, een zelfstandige schuttingbouwer, heeft zich vrijwillig verzekerd voor de Wet WIA met een dagloon van €150,-. Na arbeidsongeschiktheid per 17 mei 2016 weigerde het Uwv een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het maatmaninkomen moet worden vastgesteld op basis van de belastbare winst uit de onderneming, niet het verzekerde dagloon, en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel. Appellant stelde in hoger beroep dat het Uwv onjuiste informatie had verstrekt en dat het onredelijk was om de winst als maatstaf te nemen gezien zijn startende onderneming.
De Raad bevestigt dat het maatmaninkomen volgens vaste rechtspraak wordt bepaald aan de hand van het nettoresultaat voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid, en dat de arbeidsdeskundige dit correct heeft toegepast. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen of gedragingen van het bestuursorgaan aannemelijk zijn gemaakt waaruit een ander vertrouwen kon worden afgeleid. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.