ECLI:NL:CRVB:2022:37
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds juni 2016 ziek gemeld met nek- en schouderklachten en ontving vanaf 6 juni 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering van het UWV wegens een arbeidsongeschiktheid van 56,07%. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij herbeoordeling vast op 34,07%, waardoor het recht op WIA-uitkering per 6 juni 2018 kwam te vervallen, maar de uitkering liep door tot 6 juni 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de functionele mogelijkheden correct waren vastgesteld. Het door appellante overgelegde medische rapport bood geen aanleiding tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen. Ook de arbeidskundige beoordeling bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de datum in geding 6 juni 2020 moest zijn en dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde echter dat de datum in geding de datum van toekenning van de WIA-uitkering per einde wachttijd is, namelijk 6 juni 2018. Het besluit van 27 november 2020 over een latere toegenomen arbeidsongeschiktheid kon niet worden meegenomen in deze procedure.
De Raad bevestigde dat het UWV een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had uitgevoerd en dat de beperkingen en geschiktheid van functies adequaat waren vastgesteld. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant werd bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 juni 2018 correct is vastgesteld onder de 35%, waardoor het recht op WIA-uitkering vervalt.