ECLI:NL:CRVB:2022:481

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2022
Publicatiedatum
8 maart 2022
Zaaknummer
20/2017 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwArt. 6.3.1 Regeling zorgverzekeringVerordening (EG) nr. 883/2004
Verwijzingen
13 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging berekeningswijze buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet voor in Frankrijk wonende gepensioneerde

Appellant, een in Frankrijk wonende gepensioneerde, betwistte de berekening van de buitenlandbijdrage die hij op grond van artikel 69 van Pro de Zorgverzekeringswet (Zvw) verschuldigd is. De discussie richtte zich op de toepassing van heffingskortingen en de woonlandfactor bij de berekening van deze bijdrage.

De rechtbank had reeds geoordeeld dat de berekeningssystematiek, zoals voorgeschreven in de Zvw en de Regeling zorgverzekering, correct was toegepast door het CAK. Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze systematiek in strijd zou zijn met het Europees recht vanwege rechtsongelijkheid en dubbele belastingheffing.

De Raad stelde vast dat heffingskortingen niet in mindering komen op premies die ingezetenen van Nederland verschuldigd zijn, waardoor geen ongerechtvaardigd onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen bestaat. Tevens werd bevestigd dat de woonlandfactor een redelijke weerspiegeling is van de kostenverschillen tussen Nederland en het woonland.

De Raad concludeerde dat de dwingendrechtelijk voorgeschreven berekeningssystematiek juist is toegepast en dat de beroepsgronden van appellant niet slagen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de berekeningswijze van de buitenlandbijdrage bevestigd.

Uitspraak

20.2017 ZVW

Datum uitspraak: 28 februari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 april 2020, 19/526 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Frankrijk (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2022, waarbij appellant heeft deelgenomen door middel van een telefoonverbinding. CAK heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1946, woont in Frankrijk en ontvangt ouderdomspensioen uit Nederland.
1.2.
Appellant heeft op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 recht op zorg in zijn woonland (Frankrijk) ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is hij op grond van artikel 69 van Pro de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).
1.3.
CAK heeft op 27 september 2018 de voorlopige jaarafrekening van de door appellant verschuldigde buitenlandbijdrage voor het jaar 2017 vastgesteld op € 1.766,23. CAK heeft de buitenlandbijdrage gebaseerd op een nominaal deel, een inkomensafhankelijk deel berekend overeenkomstig de bijdrage verschuldigd op grond van de Zvw (Zvw-deel) en een inkomensafhankelijk deel berekend overeenkomstig de premie verschuldigd op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz-deel). Bij de berekening van het Wlz-deel heeft CAK de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting toegepast. De aldus bepaalde grondslag is vermenigvuldigd met de zogenaamde woonlandfactor voor Frankrijk (0,8245).
1.4.
Bij besluit van 13 december 2018 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen de voorlopige jaarafrekening van 27 september 2018 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat CAK de dwingendrechtelijk voorgeschreven berekeningssystematiek, zoals neergelegd in de artikelen 69, tweede lid, van de Zvw, 6.3.1, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering (Regeling) en bijlage 4 van de Regeling, op juiste wijze heeft gehanteerd. Deze berekening is volgens het systeem van de Zvw en de Wlz, maar dit betekent niet dat het bij de berekening van het Wlz-deel om een Wlz-premie gaat. Appellant is immers niet verzekerd op grond van de Wlz. De teruggave van de binnenlandse premie Zvw door de Belastingdienst ziet niet op de buitenlandbijdrage die CAK heeft vastgesteld. Binnen het systeem van de staatsmachten kan de rechtvaardigheid en eventuele ongelijkheid van een door de wetgever uitdrukkelijk bepaalde rekenmethode niet door de bestuursrechter worden gewogen. Omdat CAK de dwingendrechtelijk voorgeschreven berekeningssystematiek op de juiste wijze heeft toegepast, kunnen de beroepsgronden niet slagen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft hij aangevoerd dat de wettelijke berekeningssystematiek van de buitenlandbijdrage onverenigbaar is met het Europees recht, omdat sprake is van rechtsongelijkheid ten opzichte van ingezetenen in Nederland wat betreft de toepassing van de heffingskortingen bij de berekening van de inkomensafhankelijke Wlz-premie en de berekening van de woonlandfactor. Verder heeft hij aangevoerd dat door de heffing van de buitenlandbijdrage sprake is van dubbele belastingheffing ten opzichte van Nederlandse belastingplichtigen woonachtig in Nederland en bovendien van rechtsongelijkheid gelet op belastingverdragen met bepaalde EU-landen waarbij afspraken zijn gemaakt ter voorkoming van dubbele belastingheffing.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant enkel nog betrekking heeft op de berekening van de buitenlandbijdrage, in het bijzonder de wijze waarop bij deze berekening de heffingskortingen zijn toegepast en de woonlandfactor is gehanteerd.
4.2.
In eerdere uitspraken heeft de Raad de berekeningswijze van de buitenlandbijdrage uiteengezet en toegelicht (zie de uitspraken van 9 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3128, ECLI:NL:CRVB:2015:3129 en ECLI:NL:CRVB:2015:3132). In onder meer de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3128 (rechtsoverweging 4.9) heeft de Raad geoordeeld dat de buitenlandbijdrage niet is aan te merken als een belasting maar als een bijdrage voor kosten die Nederland op grond van internationale verdragen betaalt. In onder meer de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3129 (rechtsoverweging 4.1) heeft de Raad geoordeeld dat het heffen van een buitenlandbijdrage op grond van artikel 69 van Pro de Zvw geen ongelijke behandeling is die onverenigbaar is met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht. In dezelfde uitspraak (eveneens rechtsoverweging 4.1) heeft de Raad geoordeeld dat het hanteren van de woonlandfactor geen overduidelijke onevenredigheid oplevert nu deze factor de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland en die voor een persoon in Nederland tot uitdrukking brengt.
4.3.
Op grond van artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering wordt het inkomensafhankelijke Wlz-deel van de buitenlandbijdrage berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Wlz en verminderd met de toepasselijke heffingskortingen. CAK heeft met deze heffingskortingen rekening gehouden waardoor het Wlz-deel van de grondslag lager is vastgesteld. De heffingskortingen hebben geen betrekking op het Zvw-deel en het nominale deel van de grondslag. Anders dan appellant veronderstelt komen heffingskortingen niet in mindering op premies die een ingezetene van Nederland verschuldigd is op grond van de Zvw (vergelijk de uitspraak van de Raad van 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1241, rechtsoverweging 4.7). Reeds daarom is geen sprake van een ongerechtvaardigd verschil tussen ingezetenen en nietingezetenen.
4.4.
De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de beroepsgronden van appellant niet kunnen slagen gelet op de dwingend voorgeschreven berekeningssystematiek. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2022.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) E.J. van der Veldt