Uitspraak
21.2177 AKW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, met Marokkaanse nationaliteit en een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in Nederland, ontving kinderbijslag voor zijn in Marokko wonende kinderen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok dit recht met ingang van het eerste kwartaal van 2015 in, omdat appellant volgens hen geen duurzame persoonlijke band meer met Nederland heeft.
Appellant voerde aan dat hij zich in gesprekken met de Svb niet gehoord voelde en dat hij door taalbarrières dingen had gezegd die hij niet zo bedoelde. De Raad oordeelde echter dat appellant gehouden kan worden aan zijn ondertekende verklaring van 27 september 2019, waarin hij verklaarde voldoende Nederlands te spreken en het gespreksverslag na een aanvulling kon onderschrijven.
De Raad bevestigde dat appellant sinds zijn pensioenleeftijd voornamelijk in Marokko verblijft, slechts kortdurend en functioneel in Nederland is voor medische controles en administratieve zaken. Het feit dat hij een huurwoning, een verblijfsvergunning en een AOW-pensioen in Nederland heeft, is onvoldoende om een duurzame persoonlijke band aan te nemen.
Daarmee is het besluit van de Svb om het recht op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2015 in te trekken terecht. Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van kinderbijslag bevestigd.