ECLI:NL:CRVB:2022:735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verwijtbare werkloosheid wegens grensoverschrijdend gedrag en ontslag op staande voet
Betrokkene was sinds juni 2015 in dienst bij appellante als medewerker backoffice. In juni 2018 gooide hij een beker water in het gezicht van een collega en schold haar uit, waarna hij op staande voet werd ontslagen. De kantonrechter oordeelde destijds dat dit incident onvoldoende was voor ontslag op staande voet, maar wel aanleiding gaf tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verstoorde arbeidsverhouding.
Het UWV weigerde aanvankelijk de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, maar de rechtbank verklaarde dit besluit onterecht. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV en de rechtbank onvoldoende rekening hielden met een logboek waaruit bleek dat betrokkene al eerder was aangesproken en dat het gedrag zich voortzette na het incident.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het incident in samenhang met eerdere gedragingen wel degelijk een dringende reden voor ontslag oplevert. Betrokkene was een gewaarschuwd man, had externe hulp afgewezen en het gedrag was onacceptabel en bedreigend. Het UWV was daarom terecht gehouden een maatregel wegens verwijtbare werkloosheid op te leggen. Het hoger beroep van appellante werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bevestigt dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.