ECLI:NL:CRVB:2022:755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Kasstortingen terecht in mindering gebracht op bijstandsuitkering
In deze zaak is in hoger beroep beoordeeld of twee kasstortingen van respectievelijk €500 en €450 terecht in mindering zijn gebracht op de bijstandsuitkering van appellant. Het college had deze bedragen als inkomen aangemerkt en daarmee de bijstand herzien en teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat het praktisch onmogelijk was om concrete bewijsstukken te overleggen over de herkomst van de kasstortingen en dat de bedragen geen terugkerend karakter hadden. Tevens stelde hij dat de terugvordering tot onredelijke financiële gevolgen zou leiden. De Raad overwoog dat bedragen die op de bankrekening van een bijstandontvanger worden gestort, in beginsel als middelen in de zin van artikel 31 PW Pro worden beschouwd. Ook eenmalige bedragen kunnen als inkomen worden aangemerkt, mits zij kunnen worden aangewend voor het levensonderhoud.
Omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de kasstortingen geen inkomen waren, en het risico van het ontbreken van bewijs voor zijn rekening kwam, werd het hoger beroep verworpen. Ook het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien, werd afgewezen omdat appellant deze niet aannemelijk had gemaakt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd zonder kostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en kasstortingen worden terecht als inkomen aangemerkt.