Appellant ontving een toeslag op zijn WIA-uitkering, maar het UWV stelde vast dat hij sinds 19 februari 2014 samenwoonde met een partner, wat niet was gemeld. Hierdoor had appellant onterecht toeslag ontvangen. Het UWV trok de toeslag in en vorderde het bedrag terug, tevens legde het een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank vernietigde het besluit deels wegens onvoldoende motivering over wederzijdse zorg, maar oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de wijziging wel had gemeld tijdens een gesprek met een verzekeringsarts en dat het UWV het signaal had moeten oppakken. Ook stelde hij dat de terugvordering zijn eigendomsrecht schond en dat er dringende redenen waren om af te zien van terugvordering.
De Raad oordeelde dat de melding aan de verzekeringsarts niet voldeed aan de wettelijke inlichtingenplicht, die objectief is en geen verwijtbaarheid vereist. De toeslag was terecht ingetrokken en teruggevorderd. De Raad volgde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in dat ten onrechte ontvangen uitkeringen niet als eigendom in de zin van het Eerste Protocol gelden. Dringende redenen om af te zien van terugvordering werden niet aannemelijk gemaakt. De opgelegde boete was proportioneel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.