ECLI:NL:CRVB:2023:1010
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ziekengeldsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door eigenrisicodrager
Appellante, een eigenrisicodrager voor de Ziektewet, werd geconfronteerd met een ziekengeldsanctie opgelegd door het Uwv wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een medewerkster die wegens psychische klachten arbeidsongeschikt raakte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat betrokkene over ruime benutbare mogelijkheden beschikte en dat appellante ten onrechte geen tweede-spoortraject had ingezet. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat de sanctie onterecht was vanwege een complex dossier en marginale re-integratiemogelijkheden.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het Uwv en de rechtbank uitgingen van een onjuist wettelijk kader, maar dat dit inhoudelijk geen verschil maakte. De Raad volgde het oordeel dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht zonder deugdelijke grond, mede gelet op medische rapporten waaruit bleek dat betrokkene benutbare mogelijkheden had.
De Raad verwierp het verweer dat betrokkene slechts marginale mogelijkheden had en dat re-integratie daardoor achterwege kon blijven. Het oordeel was dat sprake was van een inspanningsverplichting en niet van een resultaatsverplichting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de ziekengeldsanctie bleef in stand.
Uitkomst: De ziekengeldsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.