Uitspraak
22.1164 MAW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2015 werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee en volgde een opleiding tot opsporingsambtenaar. Op 1 juni 2020 werd hij aangehouden voor het besturen van een snorfiets onder invloed van alcohol met een gemeten waarde van 840 µg/l. Naar aanleiding hiervan werd hij op 23 september 2020 ontslagen wegens wangedrag volgens artikel 39 van Pro het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag, stellende dat het beleid ten aanzien van rijden onder invloed onvoldoende kenbaar was gemaakt en dat het ontslag onevenredig was, mede vanwege verlichtende omstandigheden en het gelijkheidsbeginsel tussen krijgsmachtonderdelen. De staatssecretaris wees het bezwaar af, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het beleid van de KMar als redelijk en passend gezien de bijzondere positie van de KMar met politietaken. De Raad oordeelde dat het verschil in beleid tussen de KMar en andere krijgsmachtonderdelen, zoals de Caribische Militie, gerechtvaardigd is. Ook werd geoordeeld dat appellant voldoende op de hoogte was van het beleid en dat de ernst van het gedrag ontslag rechtvaardigt. Het hoger beroep werd verworpen en het ontslag bleef in stand.
Uitkomst: Het ontslag van appellant bij de Koninklijke Marechaussee wegens rijden onder invloed wordt bevestigd.