ECLI:NL:CRVB:2023:1189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor medicijnkosten wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor medicijnkosten over 2019 en 2020, maar het college wees deze aanvragen af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening wordt beschouwd en er geen zeer dringende redenen zijn voor bijstand.
Een GGD-arts adviseerde dat de medicijnen niet strikt medisch noodzakelijk zijn en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat zonder de medicijnen zijn functioneren en deelname aan de maatschappij ernstig worden belemmerd.
De Raad oordeelt dat de Zvw en de Regeling zorgverzekering een passende en toereikende voorliggende voorziening vormen, ook al vergoedt de zorgverzekeraar bepaalde medicijnen zoals diazepam niet zonder specifieke indicatie. Het begrip 'zeer dringende redenen' vereist een acute noodsituatie van extreme aard, wat hier niet is aangetoond.
Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt omdat eerdere toekenning van bijstand in 2018 een eenmalige fout betrof en geen verplichting schept voor latere jaren.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af, waardoor appellant geen bijzondere bijstand ontvangt voor de medicijnkosten van 2019 en 2020.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand voor medicijnkosten wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.