ECLI:NL:CRVB:2023:1344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens uitzicht op inkomensverbetering
Appellanten vroegen een individuele inkomenstoeslag aan op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet, maar het college wees deze aanvraag af omdat appellant in een deel van de referteperiode uitzicht had op inkomensverbetering. Appellanten maakten bezwaar, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelden bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat het college niet alle inspanningen had meegewogen, dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren betrokken, en dat de rechtbank eenzijdig had geoordeeld. Ook werd aangevoerd dat de hardheidsclausule had moeten worden toegepast vanwege bijzondere omstandigheden. De Raad oordeelde dat het college zorgvuldig had onderzocht en alle relevante feiten had betrokken, dat appellant vanaf februari 2019 niet meer was ontheven van arbeidsverplichtingen en onvoldoende inspanningen had verricht, en dat de aangeboden verlenging van het traject passend was.
De Raad bevestigde dat in het geval van gezinsbijstand beide partners als een eenheid worden beschouwd en dat de individuele inkomenstoeslag niet evenredig wordt verdeeld. De hardheidsclausule was niet van toepassing omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking rechtvaardigden. De motivering van het college was deugdelijk en het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag in stand blijft.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om individuele inkomenstoeslag wordt bevestigd omdat appellant uitzicht had op inkomensverbetering en onvoldoende inspanningen verrichtte.