ECLI:NL:CRVB:2023:141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Tozo 3 wegens geen gelijkstelling met Nederlander op grond van artikel 11 PW
Appellant, met de Turkse nationaliteit en gehuwd met een Bulgaarse Unie-burger, diende een aanvraag in voor algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 3). Het college wees deze aanvraag af omdat appellant niet de Nederlandse nationaliteit bezit en niet op grond van artikel 11, tweede lid, van de Participatiewet (PW) als gelijkgestelde Nederlander kan worden beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht uitging van de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst verstrekte informatie dat appellant geen verblijfsrecht ontleent aan de Richtlijn 2004/38/EG. Appellant kon daarom niet als zelfstandige in de zin van de Tozo worden aangemerkt.
Appellant voerde aan dat hij op basis van zijn huwelijk en het feit dat hij samen met zijn partner een bedrijf exploiteert, wel met een Nederlander gelijkgesteld zou moeten worden. De Raad verwierp dit omdat artikel 11 PW Pro limitatief bepaalt wie gelijkgesteld wordt en het college geen ruimte heeft voor belangenafwegingen of toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat het college toezeggingen had gedaan die recht gaven op het vertrouwen dat de aanvraag zou worden gehonoreerd. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland.
Uitkomst: De aanvraag Tozo 3 van appellant wordt afgewezen omdat hij niet als gelijkgestelde Nederlander kan worden beschouwd.