Appellant ontving vanaf 1 juli 2018 een AOW-pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, terwijl hij sinds 10 november 2017 gehuwd was. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag het pensioen met terugwerkende kracht naar gehuwdennorm en vorderde het te veel betaalde bedrag terug. Appellant betwistte dit en stelde dat hij niet wist dat hij zijn huwelijk moest melden en dat de herziening met terugwerkende kracht onredelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat zowel appellant als de Svb schuld trof, doch appellant het grootste verwijt kreeg omdat hij het huwelijk niet had gemeld. De Raad vond dat de herziening met volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk was en vernietigde het besluit, waarbij de Svb werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met beperkte terugwerkende kracht.
Daarnaast betwistte appellant de ingangsdatum van de AIO-aanvulling. De Raad bevestigde dat volgens vaste rechtspraak bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De Svb stelde zich op het standpunt dat de AIO-aanvulling per 1 oktober 2019 kan ingaan, wat de Raad aanvaardde. Het besluit dat de AIO-aanvulling niet eerder ingaat werd vernietigd en de Svb moet een nieuw besluit nemen.
Ten slotte werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De Raad bepaalde dat tegen de nieuwe besluiten alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.