Uitspraak
10 december 2021, 20/4288 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als directie-adviseur en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 52,58%, later verhoogd naar 61,94% na bezwaar en beroep. Appellant betwistte deze vaststelling en stelde dat hij meer beperkingen heeft dan aangenomen, waardoor hij de geselecteerde functies niet kan vervullen. Tevens voerde hij aan dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, waardoor een loonsanctie en schadevergoeding op zijn plaats zouden zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de verzekeringsarts terecht zowel in bezwaar als beroep betrokken was, en dat de beperkingen passend waren vastgesteld. Ook achtte de rechtbank de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende, ondanks eerdere mediationpogingen die niet slaagden. Het UWV had volgens de rechtbank terecht geen loonsanctie opgelegd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer over het ontbreken van een lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, en de onjuistheid van het maatmanloon. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen had voldaan. Het verzoek om schadevergoeding wegens het niet opleggen van een loonsanctie werd eveneens afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 61,94% wordt bevestigd en het verzoek om loonsanctie en schadevergoeding wordt afgewezen.