ECLI:NL:CRVB:2023:1846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing AOW-compensatie en uitleg beëindigingsregeling politie
Appellant, sinds 1970 in dienst bij de politie, heeft na een arbeidsconflict een beëindigingsregeling getroffen met de korpschef, waarbij hij vanaf 1 januari 1998 eervol ontslag kreeg en recht had op een wachtgelduitkering tot zijn 65e verjaardag, destijds de AOW-leeftijd.
Door de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013 kon appellant pas vanaf 1 oktober 2018 aanspraak maken op AOW en pensioen, wat leidde tot een zogenoemd AOW-gat. Appellant verzocht de korpschef om compensatie voor dit gat en nakoming van de pensioentoezeggingen, maar dit werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de beëindigingsregeling correct is uitgelegd en uitgevoerd, dat de afspraken bindend zijn en dat de verhoging van de AOW-leeftijd geen bijzondere omstandigheid vormt die tot wijziging van de regeling leidt.
Verder behoort appellant niet tot de groep oud-medewerkers die onder de Uitvoeringsafspraak sector Politie vallen en dus geen aanspraak kan maken op compensatie. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.