Appellante was van 1980 tot 2012 in dienst bij de politie en sinds 2009 volledig arbeidsongeschikt door een PTSS die voortkomt uit aanhoudende negatieve werkomstandigheden. Zij stelde dat de korpschef aansprakelijk is voor restschade als gevolg van pestgedrag op de werkvloer, wat werd afgewezen in eerdere besluiten en door de rechtbank.
De Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte stukken wegens goede procesorde buiten beschouwing liet en dat de feiten en verklaringen aannemelijk maken dat sprake was van stelselmatig pestgedrag met een buitensporig karakter. De korpschef heeft onvoldoende maatregelen getroffen om dit te voorkomen.
De zorgplicht is daardoor geschonden en er is een oorzakelijk verband met de psychische klachten van appellante. De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt de korpschef op opnieuw te beslissen. Tevens wordt een proceskostenvergoeding toegekend aan appellante wegens overschrijding van de redelijke termijn.