In deze bestuursrechtelijke zaak staat de medeterugvordering van bijstand centraal. Het college van burgemeester en wethouders van Altena vorderde van appellant een bruto bedrag van €7.518,17 terug, omdat appellant samen met zijn partner X een gezamenlijke huishouding voerde en X bijstand ontving die onterecht werd verstrekt. Appellant maakte bezwaar tegen deze medeterugvordering, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief van 20 februari 2020 wel degelijk een besluit tot medeterugvordering bevatte en dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant en X een gezamenlijke huishouding voerden. Echter, het college heeft ten onrechte geen belangenafweging gemaakt bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot medeterugvordering, terwijl dit volgens artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet en het bestuursrechtelijk zorgvuldigheidsbeginsel wel vereist is.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt het college op om bij de nieuwe beslissing op bezwaar alle relevante belangen af te wegen en een deugdelijke motivering te geven. Tevens krijgt appellant een proceskostenvergoeding van €2.511 en wordt het griffierecht vergoed. Het beroep tegen de nieuwe beslissing kan alleen bij de Raad worden ingesteld.