ECLI:NL:CRVB:2023:1989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking nabetaling WAO-uitkering tot vijf jaar wegens vervaltermijn
Appellant was vanaf 1982 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering die in 1984 werd beëindigd op zijn verzoek. Later werd vastgesteld dat deze beëindiging onterecht was en dat appellant doorlopend arbeidsongeschikt was geweest. Appellant verzocht om nabetaling van de WAO-uitkering vanaf 1984, maar het Uwv weigerde betaling over de periode vóór vijf jaar voor de aanvraag vanwege de vervaltermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren om de vijfjaarstermijn te doorbreken. Appellant stelde in hoger beroep dat het GAK destijds onzorgvuldig had gehandeld, dat het evenredigheidsbeginsel was geschonden en dat er sprake was van gewettigd vertrouwen op grond van het EVRM.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het verval van afdwingbaarheid van financiële aanspraken jegens de overheid na vijf jaar geldt, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Die zijn hier niet aannemelijk gemaakt. Ook het beroep op het EVRM faalde omdat er geen ontneming van een bestaand recht was. De beperking van de nabetaling tot vijf jaar is niet onevenredig.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de nabetaling van de WAO-uitkering beperkt blijft tot vijf jaar en wijst het hoger beroep af.