Appellante ontving vanaf 2014 een AOW-uitkering met partnertoeslag, gebaseerd op een voorlopige inschatting van het inkomen van haar partner, een zelfstandige. Na ontvangst van de definitieve belastingaangifte over 2018 stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) vast dat het inkomen van de partner hoger was dan de inkomensgrens, waardoor de toeslag over 2018 en de daaropvolgende maanden onterecht was toegekend en teruggevorderd moest worden.
De rechtbank oordeelde dat de Svb het inkomen correct had berekend en dat appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de toeslag achteraf zou worden herzien op basis van de belastingaangifte. De rechtbank vernietigde het besluit voor de toeslag over 2019 en begin 2020, omdat het recht daarop kon herleven, en wees een verzoek om schadevergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing.
De Svb nam een nieuw besluit waarin het recht op toeslag over 2019 en begin 2020 werd erkend, maar de terugvordering over 2018 gehandhaafd bleef. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit besluit en wijst het hoger beroep van appellante af. De Raad benadrukt dat de Svb het inkomen volgens de fiscale winstbegrippen correct heeft vastgesteld en dat appellante voldoende was geïnformeerd over de systematiek. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt eveneens afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en onvoldoende grondslag.
De uitspraak bevestigt dat de herziening en terugvordering van de partnertoeslag over 2018 rechtmatig zijn en dat appellante geen recht heeft op vergoeding van proceskosten of schadevergoeding.