ECLI:NL:CRVB:2023:562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens kasstortingen als inkomen
Appellante ontvangt sinds 2012 bijstand en werd in een rechtmatigheidsonderzoek geconfronteerd met contante stortingen op haar bankrekening die niet waren gemeld. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam besloot daarop de bijstand over de periode oktober 2019 tot maart 2020 te herzien en de te veel betaalde bijstand terug te vorderen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het ging om leningen van haar moeder en zus met een concrete terugbetalingsverplichting. Zij overlegde schriftelijke verklaringen ter onderbouwing. De Raad oordeelde echter dat kasstortingen in beginsel als inkomen moeten worden aangemerkt, ook als het leningen betreft, omdat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip in de Participatiewet.
De Raad stelde vast dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de stortingen niet te melden en dat het college daarom terecht de bijstand heeft herzien en teruggevorderd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat kasstortingen als inkomen gelden en de bijstand terecht is herzien en teruggevorderd.