Uitspraak
22.1652 NOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
Artikel 8, tweede lid, van de NOW-2
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een organisatie die contractspelers van een voetbalclub betaalt, diende een aanvraag in voor de NOW-2 subsidie voor juni tot en met september 2020. De minister verleende een voorschot, maar stelde later de definitieve subsidie vast op nul vanwege een lagere loonsom in de subsidieperiode vergeleken met de referentieperiode. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de minister conform artikel 8 van Pro de NOW-2 had gehandeld.
In hoger beroep stelde appellante dat de minister bij de berekening van het voorschot en de definitieve vaststelling verschillende methoden toepaste, wat tot een disproportionele en discriminerende uitkomst leidde. De minister verdedigde het besluit en benadrukte de noodzaak van de gekozen systematiek om het doel van werkgelegenheidsbehoud te dienen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat de NOW-2 regeling een politiek-bestuurlijke afweging bevat die een generiek karakter heeft en dat de minister een discretionaire bevoegdheid heeft om de subsidie lager vast te stellen indien de loonsom daalt. De belangenafweging van de minister werd als voldoende beoordeeld, ondanks dat deze pas in hoger beroep expliciet werd gemaakt. Het financiële nadeel voor appellante werd niet als onevenredig beschouwd. De Raad wees ook het argument af dat appellante tussen wal en schip valt door het ontbreken van een TASO-regeling.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en de minister werd verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minister de NOW-2 subsidie terecht heeft verlaagd vanwege een lagere loonsom zonder afwijking van de berekeningssystematiek.