Appellant 1 woonde en werkte sinds 2003 in het buitenland en vroeg in 2018 om toelating tot de vrijwillige AOW-verzekering voor zijn werkzaamheden in Panama. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek aanvankelijk af, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij op grond van Europese verordeningen recht had op vrijwillige verzekering, mede ondersteund door een positieve beslissing van het UWV. De Svb trok vervolgens het eerdere besluit in en nam een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin appellant werd toegelaten tot de vrijwillige verzekering van 1 juli 2018 tot 9 juli 2020.
De Raad oordeelde dat door deze intrekking het oorspronkelijke geschil feitelijk was opgelost en dat appellanten geen voldoende procesbelang meer hadden voor een inhoudelijke beoordeling van het gewijzigde besluit. Ook het belang bij een inhoudelijke uitspraak over toekomstige gevallen werd onvoldoende geacht. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep en het beroep niet-ontvankelijk.
De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan appellanten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 maart 2023.