Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
mr. L.M.E.M. Level.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2016 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling door het UWV, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige betrokken waren, werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het UWV beëindigde daarom per 23 februari 2022 haar WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank Limburg, die het besluit van het UWV bevestigde. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante adequaat waren vastgesteld, inclusief beperkingen vanwege migraine, angststoornis en lichamelijke klachten. Ook de arbeidskundige beoordeling dat de geselecteerde functies passend zijn, werd als voldoende gemotiveerd beoordeeld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verzekeringsartsen niet zorgvuldig hadden gehandeld, met name door het niet volgen van richtlijnen voor migraine en depressie, en dat haar beperkingen onderschat waren. Zij overhandigde nieuwe medische stukken, waaronder een brief van een neuroloog en een fysiotherapeutisch rapport. De Centrale Raad van Beroep verwierp deze argumenten en bevestigde dat de richtlijnen niet dwingend zijn voor verzekeringsgeneeskundige beoordelingen. De medische stukken bevestigden de eerdere diagnose en beperkingen, maar gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook de arbeidskundige beoordeling bleef onbetwist en voldoende onderbouwd.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de proceskostenveroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.