Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
22 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2426 en 18 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4130.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak staat centraal of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante, omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht voor haar zieke werknemer. Betrokkene was sinds september 2017 ziek gemeld en had beperkte arbeidsmogelijkheden vastgesteld door een bedrijfsarts. Het Uwv verlengde de loondoorbetalingsplicht met 52 weken tot september 2020.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante tegen deze loonsanctie ongegrond. Zij vond de medische rapportages en het oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige overtuigend en consistent. Ook werd benadrukt dat de toekenning van een IVA-uitkering achteraf geen oordeel geeft over de re-integratie-inspanningen van de werkgever.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat betrokkene door CVS/ME en fibromyalgie niet in staat was om de door het Uwv aangenomen uren te werken en dat haar situatie door re-integratiepogingen verslechterde. De Raad stelde echter vast dat er beperkte arbeidsmogelijkheden waren en dat het niet inzetten van het tweede spoor onterecht was. Het advies om het tweede spoor te starten werd genegeerd, en appellante accepteerde zelfs een mogelijke loonsanctie.
De Raad oordeelde dat ook bij beperkte arbeidsmogelijkheden van de werknemer van de werkgever mag worden verwacht dat re-integratie-inspanningen worden verricht. De loonsanctie is daarom terecht opgelegd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De loonsanctie wordt bevestigd omdat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht ondanks beperkte arbeidsmogelijkheden van de werknemer.