ECLI:NL:CRVB:2024:1755
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Berekening WIA-dagloon inclusief WW-uitkering over referteperiode
Betrokkene, voormalig zelfstandige, kreeg een WIA-uitkering toegekend met een vastgesteld dagloon dat lager was dan het WW- en ZW-dagloon. Het geschil betrof de vraag of de WW-uitkering die na afloop van de referteperiode werd uitbetaald, meegenomen moest worden bij de dagloonberekening. De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond omdat het UWV de WW-uitkering over een deel van de referteperiode niet had betrokken.
Het UWV stelde in hoger beroep dat de uitbetaling na de referteperiode terecht buiten beschouwing was gelaten, maar nam later het bezwaar deels over en verhoogde het dagloon. Betrokkene voerde aan dat ook de WW-uitkering over de laatste dagen van de referteperiode moest worden meegenomen, wat het UWV deels betwistte.
De Raad oordeelde dat het UWV het bezwaar niet volledig had gehonoreerd en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. De Raad volgde betrokkene in zijn standpunt dat ook de WW-uitkering over 25 tot en met 30 september 2017 moet worden meegenomen bij de dagloonberekening. De Raad droeg het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen, waarmee het geschil nog niet definitief is beslecht.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over het WIA-dagloon binnen zes weken te herstellen met inachtneming van de uitspraak.