Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2006 een Wajong-uitkering en toeslag. Na een politieonderzoek naar witwassen is vastgesteld dat appellant tussen 2012 en 2016 meer heeft uitgegeven dan hij aan legale inkomsten kon verantwoorden, wat is aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Het UWV heeft daarop de uitkering en toeslag herzien en teruggevorderd.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat de herziening en terugvordering over de periode tot 1 augustus 2016 terecht was, maar beperkte de terugvordering tot € 66.444,15. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet schuldig was aan witwassen en dat de kasopstelling onjuist was. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV voldoende bewijs heeft geleverd en dat de vrijspraak van uitkeringsfraude geen invloed heeft op de herziening, omdat die gebaseerd is op inkomsten uit criminele activiteiten.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de herziening en terugvordering. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot betaling van proceskosten van € 437,50. De Raad benadrukt dat terugvordering geen bestraffend karakter heeft en dat de betalingsregeling rekening houdt met de financiële situatie van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de Wajong-uitkering en toeslag wegens criminele inkomsten en veroordeelt de Staat tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.