ECLI:NL:CRVB:2024:2262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Appellante, een maatschap, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor een werkneemster die zich ziek had gemeld met pijn- en vermoeidheidsklachten. De loonsanctie verlengde de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken tot 11 oktober 2021. Appellante betwistte dit en stelde dat zij wel aan haar re-integratieverplichtingen had voldaan en dat de bedrijfsarts binnen zijn professionele marge had gehandeld.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde de loonsanctie. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de bedrijfsarts de professionele marge heeft overschreden door te veel te vertrouwen op subjectieve klachten en onvoldoende medisch objectief bewijs. Hierdoor is onvoldoende duidelijk wat de medische oorzaak is van de beperkingen van de werkneemster.
De Raad wijst het beroep van appellante af en bevestigt dat de loonsanctie terecht is opgelegd. Ook de subsidiaire stelling dat onjuiste adviezen van de bedrijfsarts niet voor rekening van de werkgever behoren te komen, wordt verworpen. De uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.