Appellant ontvangt sinds 2017 een WIA-uitkering en startte per 1 september 2020 als zelfstandige met een geschat inkomen van €12.000 per jaar. Het UWV betaalde voorschotten op basis van deze gegevens en stelde later definitief vast dat appellant over de periode september tot en met december 2020 €1.576,44 te veel had ontvangen. Dit bedrag werd teruggevorderd.
Appellant stelde dat hij erop mocht vertrouwen dat het UWV de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij de belastbare winst zou optellen, waardoor de inkomensvaststelling onjuist zou zijn. Ook voerde hij aan dat zijn restverdiencapaciteit lager was vastgesteld dan het UWV hanteerde en dat het UWV hem onvoldoende had geïnformeerd, waardoor terugvordering onterecht zou zijn.
De rechtbank vernietigde het terugvorderingsbesluit wegens schending van de hoorplicht en beval een nieuwe beslissing. De Raad vernietigt echter het deel van de uitspraak dat een definitief oordeel gaf over het vertrouwensbeginsel, omdat dit niet los gezien kan worden van de informatieverstrekking. De Raad oordeelt dat het UWV de restverdiencapaciteit correct heeft vastgesteld en dat de inkomensvaststelling op basis van gegevens van de Belastingdienst juist is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen concrete toezeggingen zijn gedaan.
De Raad vindt geen aanleiding om op grond van dringende redenen af te zien van terugvordering. Er is geen sprake van fouten of nalatigheid van het UWV, de terugvordering is proportioneel en er is een betalingsregeling getroffen. Het hoger beroep slaagt deels: de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze het UWV opdroeg een nieuw besluit te nemen met het oordeel over het vertrouwensbeginsel, maar het beroep tegen het nieuwe besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden.