Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds april 2019 een IOAW-uitkering en verbleef vanaf 15 januari 2020 voor langere tijd in het buitenland. Het college verleende haar toestemming voor een verblijf tot vier weken, waarna de uitkering werd ingetrokken. Na terugkeer op 28 juli 2020 werd de uitkering met terugwerkende kracht vanaf die datum toegekend.
Appellante stelde dat vanwege COVID-19 zij niet eerder kon terugkeren en vorderde bijstand over de periode van 30 maart tot 28 juli 2020. De Raad oordeelde dat appellante geen recht had op bijstand of IOAW-uitkering in die periode, omdat zij langer dan vier weken buiten Nederland verbleef en niet aannemelijk maakte in behoeftige omstandigheden te verkeren die alleen met bijstand konden worden verholpen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het beroep op bijzondere omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: De toekenning van de IOAW-uitkering blijft met ingang van 28 juli 2020; geen bijstand of uitkering met terugwerkende kracht voor de periode van verblijf in het buitenland.