Appellant, een student met de Griekse nationaliteit, vroeg studiefinanciering aan voor juni tot en met december 2020 op grond van zijn stageovereenkomst bij [B.V. 1]. De minister wees de aanvraag af, waarna de rechtbank het besluit vernietigde omdat de minister niet had beoordeeld of appellant als migrerend werknemer kon worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde echter dat de stageovereenkomst onvoldoende bewijs leverde voor reële arbeid en beperkte de stage feitelijk tot september 2020.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij voldeed aan het urencriterium en dat de stageovereenkomst en aanvullende verklaring voldoende bewijs vormden van een arbeidsverhouding met reële arbeid. De minister betoogde dat bij een stage een individuele beoordeling vereist is en dat voor oktober tot en met december 2020 onvoldoende bewijs was geleverd van daadwerkelijke arbeid in loondienst.
De Raad concludeerde dat appellant tijdens de stageperiode juli tot en met september 2020 als migrerend werknemer moet worden aangemerkt en recht heeft op studiefinanciering. Voor oktober tot en met december 2020 was onvoldoende bewijs geleverd, waardoor geen recht op studiefinanciering bestaat. De minister moet binnen vier weken een nieuw besluit nemen over de periode juli-september 2020. Daarnaast kreeg appellant een vergoeding van proceskosten toegekend.