ECLI:NL:CRVB:2025:1062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Brief over terugvordering nabestaandenuitkering geen besluit in bestuursrechtelijke zin
Appellant ontving in 2003 een nabestaandenuitkering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag deze uitkering over 2011 en 2016, waarbij bedragen werden teruggevorderd. Tegen deze besluiten werd bezwaar gemaakt of beroep ingesteld, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard of gehandhaafd. In 2022 stuurde de Svb een brief aan appellant met een betalingsherinnering voor een totaalbedrag van €11.978,05, waarop appellant bezwaar maakte.
De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, maar een informatieve mededeling. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de brief wel rechtsgevolg heeft en dat hij tevens een herzieningsverzoek had ingediend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief slechts een betalingsherinnering is, die geen nieuwe rechtsgevolgen schept omdat de verplichting tot terugbetaling al was vastgesteld in eerdere besluiten. Ook werd het herzieningsverzoek niet onderkend omdat het bezwaarformulier geen aanknopingspunten daarvoor bevatte. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van de Sociale verzekeringsbank wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.