Appellante ontving van 2006 tot 2020 bijstand en werd onderzocht vanwege contante stortingen op haar bankrekening van €15.000 in augustus 2017 en €3.520 in oktober 2019. Het college trok de bijstand over bepaalde periodes in en vorderde de kosten terug, omdat appellante de herkomst van deze stortingen niet aannemelijk maakte en daarmee haar inlichtingenverplichting schond.
Appellante voerde aan dat het geld deels eigen spaargeld was en deels leningen aan haar studerende zonen betrof. De Raad oordeelde dat deze verklaringen onvoldoende waren onderbouwd en dat de stortingen terecht als middelen in de zin van de Participatiewet zijn aangemerkt. Een beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het college geen toezeggingen had gedaan over de kasstortingen.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd over het beroep tegen de boete, maar de Raad stelde vast dat dit onterecht was. Omdat het college de boete niet handhaafde, werd het beroep gegrond verklaard en het boetebesluit vernietigd. Appellante kreeg een proceskostenvergoeding en terugbetaling van griffierecht.