Appellanten ontvingen bijstand volgens de Participatiewet. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant beschikte over een nalatenschap en buitenlandse bankrekeningen en dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. Het hoger beroep van appellant slaagt deels: de Raad vernietigt het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode 20 december 2020 tot 26 april 2021 wegens onvoldoende feitelijke grondslag, maar bevestigt de rest van de besluiten. Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen.
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant vóór 20 december 2021 over de nalatenschap kon beschikken. Uit onderzoek blijkt dat appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante, waarmee sprake is van gezamenlijke huishouding. De terugvordering wordt vastgesteld op € 20.124,45 voor het vernietigde deel. Tevens krijgt appellant een proceskostenvergoeding en griffierechtvergoeding toegekend.